BrightLights
angst1

Irreële angsten: hoe ik allerlei engs verdreef

In een serie van drie artikelen onderzoekt Mette de manier waarop wij mensen met onze angsten omgaan. Vandaag beschrijft ze haar eigen ervaringen.

Er zijn misschien mensen die nooit boos zijn, of mensen die nooit huilen. Wie weet is het mogelijk om je godganse leven niet te lachen, of je godganse leven niet te dansen door de kamer. Als je heel goed zoekt, vind je vast wel individuen die hun dagen doorbrengen zonder te schelden, of mensen die op niemand verliefd kunnen worden.

Maar ik geloof niet dat je op die hele bobbelige aardbol een persoon kunt vinden die nooit ergens bang voor is.

Iedereen heeft angsten. Naast oneindig lange alfabetische lijsten van rare fobieën voor specifieke dingen, bestaan er, geloof ik, enkele universele angsten die iedereen wel kent.
Elk mens vreest tot op zekere hoogte wel voor de dood, of eenzaamheid, of die twee in combinatie. Toen we klein waren, waren we allemaal bang in het donker, omdat boze dingen zich verstopten op de plekken die we niet goed konden zien; we lopen nu nog altijd sneller door de straten als de zon al onder is. Dan is er nog de angst om jammerlijk te falen, die in meer en mindere mate voorkomt, en de angst om alles fout te doen.

Er zijn ongeveer twee grote dingen die (in mijn optiek) de meeste mensen vrezen.

1. Het Grote Onbekende (Kwaad), vertaald in: duisternis, de dood, de toekomst, kwaadaardige bedoelingen van vreemden;
2. Ons Eigen Onvermogen, vertaald in: eenzaamheid, falen, sociale afwijzing, onvoldoende voldoening, schuldgevoel.

We hebben allemaal onze manieren om met deze angsten om te gaan. Waar de ene persoon de hele wereld bij elkaar relativeert met de wetenschap op zakformaat op de rug van zijn linkerhand getatoeëerd, vraagt de ander een Grote God om hem te helpen.

Hoe ik dat deed

Maar er zijn nog duizend andere manieren om te dealen met de dingen die je eng vindt. Ikzelf bijvoorbeeld, had daar toen ik klein was zeer vernuftige gedachtensnufjes voor.
Ik ben niet religieus opgevoed, maar mijn ouders zijn ook zeker geen natuurkundigen. Ik leerde de wereld kennen door boeken van Roald Dahl en heel veel Harry Potter, doorvlochten met verhalen over actualiteiten.

Mijn beeld van de wereld is nooit erg rechtlijnig geweest, en een absolute waarheid is vóór mijn leven allang passé gebleken. Ik heb altijd geprobeerd de dingen nuchter aan te kijken, maar soms is de wereld wat verwarrend. Want op het nieuws zie je mensen die hun benen zijn verloren in de oorlog en in de supermarkt koopt een man in een rolstoel vrolijk een pak karnemelk. In donkere steegjes zijn engerds met wie je niet mag praten maar in de ochtend in de zon krijg je een croissantje van een onbekende opa. ’s Nachts langs het spoor is het gevaarlijk om te fietsen, maar in de middag gebeurt er vaker een verkeersongeluk.

Als kind word je geleerd dingen te vrezen maar je weet eigenlijk niet zo goed waarom.
Zo was ik vroeger bang voor heel veel dingen. Ik vond auto’s vreselijk eng (vooral als ze toeterden) en hield voor geen meter van honden. Ik was stiekem bang voor spinnen (zoals iedereen) en schrok me een oneindig hoedje als ik een naaktslak zag. Maar boven alles was ik ongelooflijk bang om alleen thuis te zijn.

Zelfs om vier uur ’s middags wilde ik niet alleen gelaten worden. Zelfs als net de zon opkwam
hoorde ik enge dingen lopen op de vloer. Hoe dat kwam?

Ergens tussen mijn geboorte en mijn staat van zijn waren er heksen door mijn kamerdeur geslopen. Op zich is dat niet heel gek, natuurlijk: met al die boeken van Roald Dahl over Heksen en andere enge vrouwmensen, moest mijn hoofd een keer op hol slaan. Mijn heksen waren echter wel redelijk speciaal. Ze toverden namelijk niet, maar wilden me vooral graag opeten. Voor elk lichaamsdeel was er een heks: de hoofdheks, de billenheks, de voetenheks, de handenheks… afijn, je snapt het.

Die zweefden door het huis als ik alleen was, of als ik ’s avonds in mijn bed lag. Het was verschrikkelijk. Ik kon aan niets anders denken dan hun zwevende gegiechel. Ik sidderde van angst. Ik sliep niet.

Maar nu komt het. Nu komen de vernuftige gedachtentrucjes die ik toepaste op mijn demonen. Hoewel de heksen voor mij levensecht waren, wist mijn lichaam ergens diep van binnen wel dat ik ze eigenlijk zelf had bedacht. Omdat dat het geval was, kon ik er ook dingen bij bedenken.
Dus deed ik dat.

Om mijn angst draaglijk te maken, ontwierp ik een soort magnetisch veld. Ik bedacht dat de heksen, zodra ik in de kamer kwam, altijd precies aan de andere kant van de kamer zouden gaan staan. Dus als ik in mijn hoogslaper sliep, stonden de heksen in de hoek. Als ik in aan mijn bureau zat te schilderen, zaten zij op mijn hoogslapende bed. Op die manier waren ze nog altijd even echt, maar wel veel verder weg.

Herinnering

Voor mij waren deze heksen zo reëel aanwezig, dat ik me nu, driemiljoen jaar later, pas begin te herinneren dat ik ze bedacht had. Daarvoor bestonden ze gewoon, zelfs toen ik al lang en breed een puber was.

Nu is dit een extreem voorbeeld, natuurlijk. Maar ik denk dat het met angsten vaker zo gaat. Ze zijn deel van ons beeld van de wereld, en zijn zo vanzelfsprekend voor ons dat we haast vergeten dat we bang zijn, juist omdat we ze (zoals ik dat deed) op een afstand weten te plaatsen.

Mette

Mette

Telt de dagen tot haar eindexamen gymnasium maar kent nog steeds geen Griekse goden. Schrijft op lege bladen en verslaapt zich elke ochtend. Is stiekem activistisch, maar schreeuwt niet vaak van de daken. Praat veel en vaag en onbegrijpelijk, maar is best aardig verder. Daarbij geïnteresseerd in alles wat diepzinnig is. Huilt bij bijna elke film, maar is stoer als ze de weg vraagt.
Is meestal aan het dromen maar luistert graag naar je verhalen.

Reageren