BrightLights
mens

Proza: “Mens”

Stel je een plek voor, een verlaten straat. Stel je de stenen voor, die strak tegen elkaar aan zijn gelegd. Stel je de lucht voor, die er grijswit omheen hangt. Stel je die straat voor, zonder straatkunst, zonder huizen. En stel je voor dat dát de wereld is.

Plaats jezelf nu aan de zijkant van de straat. Zie voor je hoe er twee schaduwen over de tegels vallen. Stel je voor dat de silhouetten op de grond steeds kleiner worden. Zie dat de schaduwen elk worden achtervolgd door een mens. Zie dat ze elkaar naderen. Zie dat zij elkaar zien. Ze wisselen ogen uit.

Ze ontmoeten elkaar, maar niet zoals mensen dat doen.

Want stel je nu voor dat deze twee mensen niets zeker weten. Ze herkennen niets, want ze moeten alles leren. Ze zijn opgebouwd uit losse onderdelen.

Ze hangen aan elkaar van botten, spieren, vingers, tenen, aderen en zenuwen. Overal draait alles op elkaar, stuurt het één het ander aan en smeert olie kleine tandwielen. Ze hebben stroompjes door hun lichaam lopen, overal staan schakelaars al aan, nog uit en net ondersteboven. Overal knarsen tandwielen van kraakbeen tegen elkaar.

Op de plaats waar hun onderbuiken zich normaal zouden bevinden, zit een gat.

Stel je voor dat je ze kunt verstaan.

“Bent u een mens?”
“Ik weet het niet.”
“Heeft u handen?”
“Ik geloof het.”

Een mens is te herkennen aan zijn ledematen, zijn voeten en zijn vingers. Hij heeft een hoofd, twee ogen, een neus, een mond, soms hoofdhaar.

“Ademt u?”
“Dat denk ik.”

Een mens filtert de lucht tussen zijn longen, neemt diepe teugen door zijn luchtpijp, laat dan de zuurstof naar zijn longen stromen.

“Gaat u ’s nachts slapen?”
“Ik geloof het.”

Een mens doet als het ’s avonds donker wordt zijn lichten uit, zijn ogen dicht. Hij vertrekt dan naar het donker, trekt zijn benen in en slaat zijn armen om zijn knieën. Hij schuilt voor de hemel. Hij wacht tot zijn radertjes iets langzamer gaan draaien, tot zijn oren niets meer horen. Tot zijn brein afdrijft.

“Droomt u weleens?”
“Echt geen idee.”
Een mens weet weinig. Een mens ziet een klein deel van de dingen en vergeet het grootste deel daarvan. Een mens heeft veel herinneringen, maar nooit genoeg om alles te begrijpen.

“Laat u tranen?”
“Wat zijn dat?”

Een mens heeft water in zijn ogen. Hij laat dat soms naar buiten stromen als er binnenin geen plek meer is. Soms hangt hij zijn hoofd op aan zijn schouders.

“Dwaalt u door steden?”
“Zo nu en dan.”

Een mens vergeet van tijd tot tijd een doel te dienen, stopt op onbewaakte ogenblikken zich te bewegen, rent als hij te moe is om te wandelen en doet wat hij niet laten kan. Hij stopt zijn handen in zijn zakken, graaft naar goud en oude schoenendozen. Hij is nutteloos.

“Leeft u ergens?”
“Af en toe”
“Want als een mens een mens ontmoet weet hij een paar dingen zeker.”
“Wat weet hij dan?”
“Dat weet ik niet.”
“Dan bent u dus geen mens.”
“Heeft u een hart?”
“Wilt u het voelen?”

Stel je voor dat nu de mensen elkaar naderen. Zie dat ze beide hun rechterarm uitstrekken, die naar elkaars linkerborst bewegen. Stel je voor dat ze nu hun handen openspreiden, zoeken naar het pompen van hun bloed.
Stel je voor dat ze nu zoeken en blijven zoeken. Stel je voor dat ze nu nergens kunnen vinden wat ze zoeken. Stel je voor dat er geen hart klopt.

Stel je voor dat zij nu levenloze wezens blijken te zijn. Stel je voor dat hun lichamen niet werken.

“Bent u een mens?”
“Ik weet het niet.”

Mette

Mette

Telt de dagen tot haar eindexamen gymnasium maar kent nog steeds geen Griekse goden. Schrijft op lege bladen en verslaapt zich elke ochtend. Is stiekem activistisch, maar schreeuwt niet vaak van de daken. Praat veel en vaag en onbegrijpelijk, maar is best aardig verder. Daarbij geïnteresseerd in alles wat diepzinnig is. Huilt bij bijna elke film, maar is stoer als ze de weg vraagt.
Is meestal aan het dromen maar luistert graag naar je verhalen.

Reageren